Bulderende onverschil­ligheid

Ik ben opgegroeid in de buurt van een fakkeltoren van de NAM (Nederlandse Aardolie Maatschappij). Zo’n toren noemden wij een gasvlam. Een 65-meter-hoge stalen constructie, vergelijkbaar met de elektriciteitsmasten die overal door ons land lopen. Met aan de bovenkant een soort eeuwigdurende vlam, die soms ineens groter werd en begon te bulderen.

’s Nachts werd ik wel eens wakker van dat onheilspellend geluid en als ik dan uit het raam keek, was ons vlakke weiland fel oranje gekleurd door de enorme vlam die op een kleine kilometer afstand enorm tekeer ging.

fakkeltoren met enorme vlam die net zo groot is als de toren zelf
Voorbeeld van een fakkeltoren: Froombosch 2006. Met dank aan Michel de Groot

Als je weet dat de fakkeltoren 65 meter hoog is (volgens een artikel in de Trouw) en je meet even met je vingers op de foto de grootte van de toren en van de vlam, dan moet je constateren dat de vlam hier ongeveer zo groot is als de Martinitoren (97 meter). Corrigeer me als ik fout zit.

Ik ergerde me toen als kind al aan de enorme verspilling die deze anonieme installatie veroorzaakte. Waarom deden ze er niet iets nuttigs mee? Waarom gebruikten ze het niet om er water mee te verwarmen?

In het jaar 2000 verscheen een artikel in de Trouw aangaande het verdwijnen van de fakkeltorens van de NAM. Een woordvoerder zegt hierin: “We hadden de gaswinning toen nog niet zo goed onder controle.”

Ik zou willen zeggen: ze deden er ook niet hun best voor, want ze  hoefden het ook niet onder controle te hebben: er was gas in overvloed.

De enige motivatie die er eventueel was om iets met dit weglekkende gas te doen, was een morele motivatie: “we willen niet achteloos omspringen met de voorraden van moeder aarde”. Maar dat zou echt teveel gevraagd zijn van de NAM, die immers een combinatie is van Shell en Esso, bedrijven die niet bekend staan om hun gevoel voor rentmeesterschap.

Wat de NAM ook niet boeide was de relatie met de inwoners onder wier kont ze het gas vandaan trok. De winningslocaties waren met hekken omheind en onbemand.  Ik reed wel eens met mijn vader naar ‘ons’ station en dan stonden we er van een afstand naar te kijken. Mijn vader vertelde dan dat er bewakingscamera’s waren die ons in de gaten hielden. Ergens heel ver weg zaten mensen in een conroleruimte naar ons te loeren.

Geen open dagen, rondleidingen op het terrein, althans ik heb er niks van gemerkt. Geen mensen van de NAM op school die uitlegden wat ze aan het doen waren, geen leesmateriaal in de bibliotheekbus, geen bewonersavonden, niets van dat alles.

De NAM gaf helemaal niks terug. Sommige bewoners die pal bovenop het gasveld maar kennelijk toch ‘te afgelegen’ woonden kregen niet eens een gasaansluiting in het begin (dat zal dan wel door de Gasunie geregeld zijn, maar dat is van hetzelfde laken een pak).

Dat veel huizen in Groningen door een vertraagd afgespeeld serieel minibevingenfestijn langzaam in elkaar zakken, inclusief historisch erfgoed, dijken en eigen pijpen wist de NAM al heel lang maar ook dat vond ze niet zo heel erg interessant.

Het enige dat de NAM interesseert is zoveel mogelijk winnen.

Sinds het allemaal ineens uit de hand liep, ging de NAM ineens leuk doen. Ze hebben nu een Twitter-account waar ze aankondigen dat ze picknickbanken gaan plaatsen voor de bewoners. Ze gaan langs scholen om de kindertjes hun visie op het geheel te geven. Ze gaan uitleggen waarom er die en die week een felle vlam te zien zal zijn. Er zijn bewonersavonden. En ze poetsten hun website op.

Alleen het bij kritische vragen geïrriteerde hoofd van de NAM-directeur verraadt dat er niks veranderd is.

Ondertussen is de apathie weergekeerd in Groningen. De NAM kan zijn Twitter-account wel weer opheffen. Ze heeft gewonnen en kan blijven winnen.

(Zie ook de animatie van de aardbevingen)