Begrippen

Als je een bepaald bijenwoord niet kent staat het misschien hier wel bij:

  • Angel: de steeknaald van de bij. Een honingbij kan maar één keer steken, en daarna gaat ze dood. Daarom doen ze het liever niet.
  • Beroker: een rookapparaat van de imker. Een beetje rook maakt de bijen rustig. Te veel rook maakt ze in paniek.
  • Bestuiving: wat bijen doen als ze van bloem naar bloem vliegen. Ze nemen stuifmeel mee, en daardoor groeien er appels, aardbeien en nog veel meer.
  • Bewakerbij: de portier. Staat bij de ingang en kijkt of je er wel bij hoort.
  • Bijendans: hoe bijen tegen elkaar praten. Met een dansje vertellen ze waar de bloemen staan. Geen disco, wel handig.
  • Bijenkast: het huis dat de imker voor de bijen maakt. Een stapel houten bakken, een soort appartementencomplex.
  • Bijenkorf: het oude, gevlochten huis van bijen. Ziet eruit als een hoed, maar dan voor bijen.
  • Bijenwas: spul dat bijen zelf maken. Ze zweten het uit, en bouwen er de honingraat van. Wij maken er kaarsen van.
  • Broed: de eitjes, larfjes en poppen. De kleintjes die nog geen echte bij zijn.
  • Dar: een mannetjesbij. Groter en dikker, geen angel, en hij doet eigenlijk maar één ding: een keertje babies maken. Daarna is het uit met de pret.
  • Haalbij: een bij die iets haalt... Namelijk nectar of pollen.
  • Hommel: een dikke, harige nicht van de bij. Ook een bij, maar dan pluizig. Ze zoemt harder en lijkt een beetje op een vliegend knuffelbeest.
  • Honing: wat er overblijft als bijen de nectar even in hun lijf hebben laten pruttelen en het weer uitspugen. Klinkt vies, smaakt lekker.
  • Honingmaag: een extra maag, alleen voor nectar. Niet om zelf van te eten, maar om later uit te spugen als honing.
  • Honingraat: allemaal zeshoekige kamertjes tegen elkaar aan. Daar gaat de honing in, en daar groeien ook de baby-bijen.
  • Honingslinger: een soort wasmachine, maar dan voor honingraten. Die draait zo hard rond dat de honing eruit vliegt.
  • Imker: iemand die de bijen verzorgt, en ze vriendelijk vraagt of ze hem wat honing willen geven. Of gewoon de honing pakt.
  • Koningin: de baas van het bijenvolk. Ze legt de eitjes. Zonder haar is het volk in de soep. Er is er meestal maar één van, en als ze haar werk niet goed doet, zoeken de bijen gewoon een nieuwe.
  • Koninginnegelei: een speciaal sapje voor de koningin. Een gewoon bijenlarfje dat dit te eten krijgt, groeit uit tot een nieuwe koningin. Alsof je van pap ineens prinses wordt.
  • Larve: een baby-bij. Ziet eruit als een wit wormpje. Nog geen vleugels, nog geen angel, nog geen baan.
  • Nectar: zoet sap uit bloemen. Bijen drinken het op en maken er later honing van.
  • Pollen: geel poeder van bloemen, ook wel stuifmeel. Dat is het eiwit-eten van de bijen. Ze plakken het in bolletjes aan hun achterpoten.
  • Poetsbij: een jonge bij die de kast schoonveegt. De huishoudster, zeg maar.
  • Propolis: de lijm van de bijen. Ze stoppen er gaten mee dicht, en pakken er zelfs dode muizen in in, zodat het nest schoon blijft.
  • Raampje: een houten vierkant in de kast, waar de bijen hun raat op bouwen. Geen raam om doorheen te kijken.
  • Reinigingsvlucht: de eerste vlucht in het voorjaar. De bijen mogen eindelijk naar buiten... om te poepen. Ze houden het de hele winter in.
  • Speurbij: een haalbij met een speurneus. Zij zoekt nieuwe bloemenvelden en vertelt de anderen waar ze heen moeten.
  • Stuifmeelkorfje: een kuiltje aan de achterpoot, waar de bij haar pollenbolletje in stopt. Een tasje, altijd bij de hand.
  • Voedsterbij: een bij die de baby-bijen voert. Kindermeisje van het volk.
  • Volk: alle bijen samen in één nest. Niet één bij, maar tienduizenden. Een heel dorp, eigenlijk.
  • Wesp: géén bij. Wespen zijn slanker, hebben geen harige jas, en komen graag aan je limonade. Bijen komen aan de bloemen.
  • Werkster: een vrouwtjesbij die wél werkt. Poetsen, voeden, bewaken, vliegen, honing maken. Kortom: bijna alles.
  • Zwerm: als een deel van het volk met een koningin vertrekt om ergens anders te gaan wonen. Een wolk bijen in de lucht. Spannend, meestal niet gevaarlijk.